Spaans Nederlands
Nederlands Spaans
Abandonar a verlaten
aanbevelen Recomendar (recomiendo)
Abrir a las dos (he abierto) openen om
aanbidden Adorar
Acabar eindigen
aanbieden Ofrecer (ofrezco)
Aceptar aannemen
aannemen Aceptar
Acercarse naar toe gaan
akkoord gaan Acordar (acuerdo)
Acoger (acojo) verwelkomen
afdalen Descender
Acordar (acuerdo) akkoord gaan
afhangen van Depender de
Acordarse (me acuerdo) zich herinneren
afscheid nemen Despedir (despido)
Acostarse (me acuesto) naar bed gaan
antwoorden Responder
Actuar optreden
antwoorden, beantwoorden Contestar
Adividar raden
arriveren,aankomen Llegar
Adorar aanbidden
babbelen Charlar
Afeitarse scheren
bed opmaken Hacer su cama
Agradar bevallen
bedanken Agradecer
Agradecer bedanken
bedekken Cubrir (he cubierto)
Ahorrar sparen
beginnen Comenzar (comienzo)
Almorzar (almuerzo) lunchen
beginnen Empezar (empiezo)
Alquilar huren
begrijpen Entender (entiendo)
Andar gaan,lopen
bekijken aandachtig Fijatar
Andar en bicicletta fietsen
beklimmen Ascender
Apagar uitdoven, uitdoen
beloven Prometer
Apestar stinken
benoemen Nombrar
Apilar stapelen
beseffen, te weten komen Darse cuenta (me doy)
Aprender leren
bestaan Consistir
Aprovechar profiteren
betalen Pagar
Ascender beklimmen
betekenen Significar
Asegurarse de que zorgen ervoor dat
beter worden Mejorar
Asustarse schrik hebben
bevallen Agradar
Atender (atiendo) luisteren aandachtig
bevestigen Fijar
Atravesar (atravieso) doorkruisen
bevestigen Consentar
Averiguar erachter komen, opzoeken
bevinden, plaatsen Ubicar
Ayudar helpen
bezig zijn met Llevar + gerundio + tijdspanne
Bailar dansen
bezitten Ocupar
Bajar naar beneden gaan
bezoeken Visitar
Beber drinken
bijvoegen Incluir (incluyo)
Besar a kussen
binnenkomen Entrar
Besarse con kussen met
blijven zitten / praten Seguir siendo / hablando
Buscar zoeken
bouwen Construir (construyo)
Caber en (quepo) inpassen
breken Romper (roto)
Caer (caigo) vallen (bladeren)
brengen Traer (traigo)
Caerse (me caigo) bien goed bevallen (persoon)
dansen Bailar
Callar zwijgen
dansen Danzar
Caminar lopen,stappen
de gewoonte hebben van Soler (suelo) + infinitivo
Cantar zingen
de moeite zijn Valer la peina
Casarse trouwen
delen met Compartir con
Cenar dineren
denken Pensar (pienso)
Cenar fuera uit eten gaan
dineren Cenar
Cerrar a las (cierro) sluiten om
diploma behalen Titularse
Charlar babbelen
doen Hacer (hago - he hecho)
Chocarse en tegen het lijf lopen
doorbrengen Gastar el tiempo
Cocinar koken
doorbrengen Pasar
Coger (cojo) vastpakken,nemen
doorkruisen Atravesar (atravieso)
Coincidir toevallig ontmoeten
douchen Ducharse
Colaborar samenwerken
draaien Girar
Colgar (cuelgo) hangen
dragen Llevar
Comentar vertellen, zeggen
drinken Beber
Comenzar (comienzo) beginnen
dromen Soñar (sueño)
Comer eten
drukken, afdrukken Imprimir (he impreso)
Cometer plegen
een afspraak maken Hacer una cita
Cometer errores fouten maken
een belofte doen Hacer una promesa
Compartir con delen met
een rij maken, in de rij staan Hacer cola
Completar vervolledigen
een wandeling, toer maken Dar una vuelta
Componer (compongo) samenstellen, componeren
eieren leggen Poner huevos
Comprar kopen
eindigen Acabar
Comprobar (compruebo) verifiëren
eindigen Terminar
Concordar (concuerdo) overeenkomen
elkaar zien Verse (se ve – ha se visto)
Condimentar kruiden
erachter komen, opzoeken Averiguar
Conducir (conduzco) rijden
erin stoppen Meter
Congelar invriezen
eten Comer
Conocer a (conozco) kennen,ontmoeten
eten  diner   middagmaal   maken Hacer la comida la cena el almuerzo
Consentar bevestigen
fietsen Ir en bicicletta
Consistir bestaan
fietsen Montar en bicicleta
Construir (construyo) bouwen
fietsen Andar en bicicletta
Consumir gebruiken, consumeren
fouten maken Cometer errores
Contestar antwoorden, beantwoorden
frtituren, bakken Freír (frío - he frito)
Convenir (convengo) van pas komen
gaan Ir (voy)
Correr lopen
gaan bezoeken, gaan zien Ir a visitar, ir a ver (voy)
Cortar knippen,afsnijden
gaan winkelen Ir de compras (voy)
Costar (cuesto) kosten
gaan,lopen Andar
Creer geloven
gebaren maken Gesticular
Criar opvoeden, kweken
geboren worden, ontspringen Nacer (nazco)
Cruzar oversteken
gebruik maken van iets Utilizar
Cubrir (he cubierto) bedekken
gebruiken Usar
Cumplir waar maken, nakomen
gebruiken, consumeren Consumir
Cumplir años verjaren
gelijken op Parecerse a (me parezco)
Danzar dansen
geloven Creer
Dar (doy) geven
genieten Disfrutar
Dar una vuelta een wandeling, toer maken
genieten van Gozar de
Darse cuenta (me doy) beseffen, te weten komen
gevangen nemen Prender
Deber moeten (moreel verplicht)
geven Dar (doy)
Decir (digo) zeggen
goed bevallen (persoon) Caerse (me caigo) bien
Dedicarse a zich bezig houden met
Goed doen Hacer bien
Dejar de stoppen met
goud verkleuren, vergulden Dorar
Deletrear spellen
groeien,stijgen Incrementar
Depender de afhangen van
groeten Saludar
Derrochar verspillen
hangen Colgar (cuelgo)
Desaparecer verdwijnen
haten Odiar
Desayunar ontbijten
hebben Haber (he)
Descansar rusten
hebben,bestaan Tener (tengo)
Descender afdalen
helpen Ayudar
Descubrir (he descubierto) ontdekken
herhalen Repetir (repito)
Desear wensen
herinneren Recordar (recuerdo)
Desembocar en uitmonden in
herzien Repasar
Deshacer (deshago/deshecho) uiteen halen, ongedaan maken
heten Llamarse
Despedir (despido) afscheid nemen
horen Oír (oigo)
Despertarse (me despierto) ontwaken
houden van Gustar (3de*)
Destacar opvallen
huiswerk maken Hacer deberes
Detenerse stoppen, pauze nemen
huren Alquilar
Devolver (devuelvo  devuelto) teruggeven, weergeven
identificeren Identificar
Dibujar tekenen
iets gaan drinken Ir de copas (voy)
Discutir ruzie maken (met woorden)
iets noemen Llamar a algo
Disfrutar genieten
in dienst nemen, gebruiken Emplear
Disolver (disuelvo / disuelto) oplossen (tablet)
in stukken scheuren Hacer pedazos
Dolerse (me duelo) pijn hebben
inademen Respirar
Dorar goud verkleuren, vergulden
inkopen doen Hacer de compras
Dormir (duermo) slapen
inpassen Caber en (quepo)
Dormirse (me duermo) inslaap vallen
inslaap vallen Dormirse (me duermo)
Ducharse douchen
invriezen Congelar
Dudar twijfelen
irriteren, storen Molestarse
Educar opvoeden
jaloers, nerveus worden Ponerse celoso, nervioso
Elaborar maken, opstellen
kammen Peinar
Elegir (elijo - he electo) kiezen
kapot gaan Romperse
Emborracharse zat worden
kennen,ontmoeten Conocer a (conozco)
Empezar (empiezo) beginnen
kiezen Elegir (elijo - he electo)
Emplear in dienst nemen, gebruiken
kijken Mirar
Enamorarse verliefd worden
klagen Quejarse
Encantar (3de*) zeer veel houden van
knippen,afsnijden Cortar
Encontrar (encuentro) vinden, voelen
koken Cocinar
Encontrarse a ontmoeten, tegen komen
komen Venir (vengo)
Enfadarse kwaad worden
kopen Comprar
Engordar verdikken
kosten Costar (cuesto)
Ensayar repeteren
kruiden Condimentar
Enseñar tonen
kuisen Hacer la limpieza
Entender (entiendo) begrijpen
kunnen, mogen Poder (puedo)
Entrar binnenkomen
kussen Besar a
Equivocarse vergissen
kussen met Besarse con
Escribir (escrito) schrijven
kwaad worden Enfadarse
Escuchar luisteren
leren Aprender
Esperar wachten
leven, wonen Vivir
Estar (estoy) zijn (toestand)
leveren Proveer (provisto)
Estar + gerundio (ganando) winnende – aan 't winnen
lezen Leer
Estudiar studeren
lijden Sufrir
Evitar vermijden
lijden aan Padecer de (padezco)
Expresar uitdrukken
lopen Correr
Faltar (3de*) ontbreken
lopen,stappen Caminar
Fijar bevestigen
luisteren Escuchar
Fijatar bekijken aandachtig
luisteren aandachtig Atender (atiendo)
Freír (frío - he frito) frtituren, bakken
lunchen Almorzar (almuerzo)
Fumar roken
maken, opstellen Elaborar
Ganar winnen
markeren Marcar
Gastar verslijten, spenderen
meenemen Llevarse
Gastar el tiempo doorbrengen
meten Medir (mido)
Gesticular gebaren maken
moeten (moreel verplicht) Deber
Girar draaien
moeten (zelf opgelegd) Tener que (tengo)
Gozar de genieten van
muziek spelen Tocar (música)
Gustar (3de*) houden van
naar bed gaan Acostarse (me acuesto)
Haber (he) hebben
naar beneden gaan Bajar
Hablar spreken
naar toe gaan Acercarse
Hacer (hago - he hecho) doen
nadenken Reflexionar
Hacer bien Goed doen
nemen Tomar
Hacer cola een rij maken, in de rij staan
observeren Observar
Hacer de compras inkopen doen
oefenen Practicar
Hacer deberes huiswerk maken
onderlijnen Subrayar
Hacer deporte sporten
ontbijten Desayunar
Hacer la comida, la cena, el almuerzo eten, diner, middagmaal maken
ontbreken Faltar (3de*)
Hacer la limpieza kuisen
ontdekken Descubrir (he descubierto)
Hacer pedazos in stukken scheuren
ontmoeten Reunirse
Hacer su cama bed opmaken
ontmoeten Topezar con
Hacer una cita een afspraak maken
ontmoeten, tegen komen Encontrarse a
Hacer una promesa een belofte doen
ontwaken Despertarse (me despierto)
Hacerse amigos vrienden maken
openen om Abrir a las dos (he abierto)
Huir (huyo) vluchten, ontvluchten
oplossen (tablet) Disolver (disuelvo - he disuelto)
Identificar identificeren
oplossen (vraagstuk) Resolver (resuelvo / resuelto)
Imprimir (he impreso) drukken, afdrukken
opnemen (telefoon) Ponerse (me pongo)
Incluir (incluyo) bijvoegen
opstaan Levantarse
Incrementar groeien,stijgen
optreden Actuar
Intentar proberen
opvallen Destacar
Ir (voy) gaan
opvoeden Educar
Ir a visitar, ir a ver (voy) gaan bezoeken, gaan zien
opvoeden, kweken Criar
Ir de compras (voy) gaan winkelen
overeenkomen Concordar (concuerdo)
Ir de copas (voy) iets gaan drinken
oversteken Cruzar
Ir en bicicletta fietsen
pijn hebben Dolerse (me duelo)
Irse vertrekken
plegen Cometer
Jugar a (juego) spelen met
prikken Pinchar
Leer lezen
proberen Intentar
Levantarse opstaan
proberen Tratar
Llamar roepen,bellen
proberen, passen Probar (pruebo)
Llamar a algo iets noemen
profiteren Aprovechar
Llamarse heten
publiceren Publicar
Llegar arriveren,aankomen
raden Adividar
Llevar dragen
reclameren Reclamar
Llevar + gerundio + tijdspanne bezig zijn met
regenen Llover (3de*) (llueve)
Llevarse meenemen
repeteren Ensayar
Llover (3de*) (llueve) regenen
rijden Conducir (conduzco)
Madrugar vroeg opstaan
roepen,bellen Llamar
Mandar sturen
roken Fumar
Marcar markeren
ruiken Oler (huelo)
Marcharse weggaan
rusten Descansar
Marearse zich duizelig voelen
ruzie maken (met woorden) Discutir
Medir (mido) meten
ruzie maken, vechten Pelear
Mejorar beter worden
samenstellen, componeren Componer (compongo)
Meter erin stoppen
samenwerken Colaborar
Mirar kijken
scheren Afeitarse
Molestarse irriteren, storen
schrijven Escribir (escrito)
Montar en bicicleta fietsen
schrik hebben Asustarse
Morir (muero - he muerto) sterven
slaan, kleven, plakken Pegar
Mudarse a verhuizen naar
slapen Dormir (duermo)
Nacer (nazco) geboren worden, ontspringen
sluiten om Cerrar a las (cierro)
Nadar zwemmen
sneeuwen Nevar (3de) (nieva)
Narrar vertellen
sparen Ahorrar
Nevar (3de) (nieva) sneeuwen
spelen met Jugar a (juego)
Nombrar benoemen
spellen Deletrear
Observar observeren
spenderen, duren, wachten Tardar
Ocupar bezitten
sporten Hacer deporte
Odiar haten
spreken Hablar
Ofrecer (ofrezco) aanbieden
stapelen Apilar
Oír (oigo) horen
stelen Robar
Oler (huelo) ruiken
sterven Morir (muero - he muerto)
Olvidar vergeten
stinken Apestar
Padecer de (padezco) lijden aan
stoppen Parar
Pagar betalen
stoppen met Dejar de
Parar stoppen
stoppen, pauze nemen Detenerse
Parecer (parezco) vinden van, denken
strijken Planchar
Parecerse a (me parezco) gelijken op
struikelen Tropezarse
Partir vertrekken,verdelen
studeren Estudiar
Pasar doorbrengen
sturen Mandar
Pasear wandelen
tapas eten Tapear
Pedir (pido) vragen (om te krijgen)
tegen het lijf lopen Chocarse en
Pegar slaan, kleven, plakken
tekenen Dibujar
Peinar kammen
teruggeven, weergeven Devolver (devuelvo/ devuelto)
Pelear ruzie maken, vechten
terugkeren Regresar
Pensar (pienso) denken
terugkeren Volver (vuelvo - he vuelto)
Perdonar vergeven
toedekken Tapar
Perdonarse zich verontschuldigen
toegangskaarten halen Sacar los entradas
Pinchar prikken
toevallig ontmoeten Coincidir
Pisar trappen
tonen Enseñar
Planchar strijken
trappen Pisar
Poder (puedo) kunnen, mogen
trouwen Casarse
Poner (pongo - he puesto) zetten,plaatsen,aandoen
tutoyeren Tutear
Poner huevos eieren leggen
twijfelen Dudar
Ponerse (me pongo) opnemen (telefoon)
uit eten gaan Cenar fuera
Ponerse celoso, nervioso jaloers, nerveus worden
uitdoen, uithalen Sacarse
Practicar oefenen
uitdoven, uitdoen Apagar
Preguntar vragenstellen
uitdrukken Expresar
Prender gevangen nemen
uiteen halen, ongedaan maken Deshacer (deshago/deshecho)
Preocupar zorgen maken
uitgaan,weggaan,vertrekken Salir (salgo)
Presentar voorstellen
uithalen Sacar
Presentarse a zich voorstellen aan
uitmonden in Desembocar en
Probar (pruebo) proberen, passen
vallen (bladeren) Caer (caigo)
Prometer beloven
van pas komen Convenir (convengo)
Proveer (provisto) leveren
vastpakken,nemen Coger (cojo)
Publicar publiceren
verdikken Engordar
Quejarse klagen
verdwijnen Desaparecer
Querer (quiero) willen
vergeten Olvidar
Rechazar weigeren
vergeven Perdonar
Reclamar reclameren
vergissen Equivocarse
Recomendar (recomiendo) aanbevelen
verhuizen naar Mudarse a
Recordar (recuerdo) herinneren
verhuizen, verplaatsen Trasladarse
Referirse a verwijzen naar
verifiëren Comprobar (compruebo)
Reflexionar nadenken
verjaren Cumplir años
Regresar terugkeren
verkopen Vender
Repasar herzien
verlaten Abandonar a
Repetir (repito) herhalen
verliefd worden Enamorarse
Resolver (resuelvo/ resuelto) oplossen (vraagstuk)
vermijden Evitar
Respirar inademen
verslijten, spenderen Gastar
Responder antwoorden
verspillen Derrochar
Reunir verzamelen
vertalen Traducir (traduzco)
Reunirse ontmoeten
vertellen Narrar
Robar stelen
vertellen, zeggen Comentar
Romper (roto) breken
vertrekken Irse
Romperse kapot gaan
vertrekken,verdelen Partir
Saber (sé) weten
vervangen Sustituir
Sacar uithalen
vervoeren Transportar
Sacar los entradas toegangskaarten halen
vervolledigen Completar
Sacarse uitdoen, uithalen
verwelkomen Acoger (acojo)
Salir (salgo) uitgaan,weggaan,vertrekken
verwijzen naar Referirse a
Saludar groeten
verzamelen Reunir
Seguir (sigo) volgen
vinden van, denken Parecer (parezco)
Seguir siendo / hablando blijven zitten / praten
vinden, voelen Encontrar (encuentro)
Sentarse (me siento) zitten
vluchten, ontvluchten Huir (huyo)
Sentirse (me siento) zich voelen
volgen Seguir (sigo)
Ser (soy) zijn (eigenschap)
voorstellen Presentar
Significar betekenen
vragen (om te krijgen) Pedir (pido)
Soler (suelo) + infinitivo de gewoonte hebben van
vragenstellen Preguntar
Soñar (sueño) dromen
vrienden maken Hacerse amigos
Subrayar onderlijnen
vroeg opstaan Madrugar
Sufrir lijden
waar maken, nakomen Cumplir
Sustituir vervangen
waard zijn, Valer
Tapar toedekken
wachten Esperar
Tapear tapas eten
wandelen Pasear
Tardar spenderen, duren, wachten
weggaan Marcharse
Tener (tengo) hebben,bestaan
weigeren Rechazar
Tener que (tengo) moeten (zelf opgelegd)
wensen Desear
Terminar eindigen
werken Trabajar
Titularse diploma behalen
weten Saber (sé)
Tocar (música) muziek spelen
willen Querer (quiero)
Tomar nemen
winnen Ganar
Topezar con ontmoeten
winnende – aan 't winnen Estar + gerundio (ganando)
Trabajar werken
zat worden Emborracharse
Traducir (traduzco) vertalen
zeer veel houden van Encantar (3de*)
Traer (traigo) brengen
zeggen Decir (digo)
Transportar vervoeren
zetten,plaatsen,aandoen Poner (pongo - he puesto)
Trasladarse verhuizen, verplaatsen
zich bevinden Ubicarse
Tratar proberen
zich bezig houden met Dedicarse a
Tropezarse struikelen
zich duizelig voelen Marearse
Tutear tutoyeren
zich herinneren Acordarse (me acuerdo)
Ubicar bevinden, plaatsen
zich kleden Vestirse (me visto)
Ubicarse zich bevinden
zich verontschuldigen Perdonarse
Usar gebruiken
zich voelen Sentirse (me siento)
Utilizar gebruik maken van iets
zich voorstellen aan Presentarse a
Valer waard zijn,
zien Ver (veo - he visto)
Valer la peina de moeite zijn
zijn (eigenschap) Ser (soy)
Vender verkopen
zijn (toestand) Estar (estoy)
Venir (vengo) komen
zingen Cantar
Ver (veo - he visto) zien
zitten Sentarse (me siento)
Verse (se ve – ha se visto) elkaar zien
zoeken Buscar
Vestirse (me visto) zich kleden
zorgen ervoor dat Asegurarse de que
Visitar bezoeken
zorgen maken Preocupar
Vivir leven, wonen
zwemmen Nadar
Volver (vuelvo - he vuelto) terugkeren
zwijgen Callar